Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘Amerikaans’

Onlangs las ik ergens op het web een recensie van The Word Made Flesh: Literary Tattoos From Bookworms Worldwide, een nogal obscuur boekje dat – de titel geeft het al weg – de meest interessante literaire tatoeages op een rijtje zet. Een daarvan was simpelweg het getal 9. Dat klinkt enigmatisch, maar eigenlijk ging er simpelweg het boek Nine Stories van J.D. Salinger achter schuil, een reeks verhalen dat grote indruk – vergeef me de woordspeling – op de man had gemaakt. Tegelijkertijd besefte ik me dat ik onlangs hetzelfde werk op een stoffige rommelmarkt op de kop had getikt. (Later kwam ik er achter dat ik een euro meer had betaald dan de oorspronkelijke verkoopprijs: het prijsstickertje was zeer tactisch met een ander stickertje gemaskeerd.)

The Catcher in the Rye heb ik inmiddels al twee keer gelezen, één keer in het Nederlands – als naïeve neerlandicus – en eenmaal in het Engels, zoals dat bij dit boek hoort. De Penguineditie die ik met me meenam naar het strand van Kroatië is verfomfaaid en met korrels zand versierd, maar ook stukgelezen. Holden Caulfield heeft een enorme indruk op me achter gelaten: een cynische, uitzichtloze jongen die een wereld wil ontmaskeren, die niet ontmaskerd wil worden. De openingszin – een opening van een anti-Bildungsroman – pakt je en sleurt je de rest van het boek door:

If you really want to hear about it, the first thing you’ll probably want to know is where I was born, and what my lousy childhood was like, and how my parents were occupied and all before they had me, and all that David Copperfield kind of crap, but I don’t feel like going into it, if you want to know the truth. In the first place, that stuff bores me, and in the second place, my parents would have about two hemorrhages apiece if I told anything pretty personal about them. They’re quite touchy about anything like that, especially my father. They’re nice and all – I’m not saying that – but they’re also touchy as hell. Besides, I’m not going to tell you about my whole goddam autobiography or anything.

Maar we zouden het eigenlijk over Negen verhalen hebben. Het boek is opgebouwd in – hoe kan het ook anders – negen korte verhalen, met alle vindingrijke titels, die zeker het vermelden waard zijn: ‘Een perfecte dag voor bananenvis’, ‘Oom Donald in Connecticut’, ‘Vlak voor de oorlog met de eskimo’s’, ‘De lachvogel’, ‘Beneden bij de boot’, ‘Voor Esmé – veel liefs en morsigheid’, ‘Mooie mond en mijn ogen groen’, ‘De Daumier-Smiths grijze periode’ en ten slotte ‘Teddy’.

Het zijn alle negen ingenieuze verhalen, maar op een bepaalde manier ook simpel. Net als Catcher in the Rye schept Salinger geen eigen microkosmos, zoals sommige schrijvers beweren te doen, maar gebruikt de wereld van alledag, vol simplistische details, personages en setting, om tot een bijzonder eindresultaat te komen. Als voorbeeld noem ik het beste verhaal in het boek ‘Een perfecte dag voor bananenvis’. In dit korte verhaal zijn een soldaat en zijn vriendin op vakantie gegaan. Zij zit in haar hotelkamer haar nagels te lakken en met haar moeder over Seymour – haar vriend dus – te praten, hij ligt op het gras en vertelt een klein meisje een fantasieverhaal over de bananenvis. De bananenvis is een klein, doodgewoon visje dat, zodra het de kans krijgt, zich volpropt met bananen, waarna het visje niet meer uit zijn holletje kan komen. Na zijn verhaal loopt hij terug naar het hotel, treft zijn vriendin slapend aan, en schiet zichzelf in zijn rechterslaap. Just like that. Hier ligt de kracht van Salinger: hij voert ons allerlei alledaagse details, die niet van belang zijn voor het verhaal. Bijvoorbeeld:

Er zaten zevenennegentig reclamemensen uit New York in het hotel en omdat zij voortdurend beslag legden op de interlokale lijnen moest het meisje op kamer 507 van taal tot bijna halfdrie wachten tot haar gesprak doorkwam.

Of:

‘Hij wil zijn badjas niet uitdoen? Waarom niet?’
‘Weet ík het? Ik denk omdat hij zo wit ziet.’
‘Lieve hemel, dan heeft hij juist zon nodig. Kan je niet zorgen dat hij het toch doet?’
‘Je weet hoe Seymour is,’ zei het meisje en sloeg haar benen weer over elkaar. ‘Hij zegt dat hij niet wil dat een stelletje gekken naar zijn tatoeage lopen te kijken.’
‘Hij heeft helemaal geen tatoeage! Heeft hij dat in het leger laten doen?’

Bij Mulisch en Hermans kan er geen mus dood van het dak vallen zonder Bedoeling, bij Salinger kan de klusjesman van het dak vallen en zijn nek breken zonder dat het consequenties heeft voor de verhaallijn. Het verhaal nodigt uit tot interpretatie: waarom schiet de man zich neer? Heeft hij een trauma opgelopen in de oorlog? Ergert hij zich aan zijn vriendin en dier moeder die zich alleen maar druk maken om kleding? Ziet hij het meisje op het strand als ultiem teken van onschuld?  De details geven geen antwoord: er is correlatie, maar geen causaliteit. Toch is dat natuurlijk ook een sublieme truc van de auteur: als een kwaadaardig genius overdondert hij ons met oorzaak en gevolg, terwijl die er helemaal niet is. Vervolgens brengt hij, als slotsom van deze reeks normale handelingen, als een volleerd Russische schrijver een pistool op het toneel:

Hij keek even naar het meisje dat lag te slapen op een van de lits-jumeaux. Toen liep hij naar een van de koffers, opende hem, en pakte van onder een stapel hemden en onderbroeken een Ortgies 7.65 automatisch pistool. Hij haalde het magazijn eruit, bekeek het en schoof het toen weer op zijn plaats. Hij spande het wapen. Toen liep hij naar het lege bed, ging erop zitten, keek naar het meisje, richtte het pistool en schoot een kogel door zijn rechterslaap.

Geen verklaring. Meesterlijk.

In elk verhaal staat de hoofdpersoon los van het verhaal. Hier was dat de ex-militair, in ‘De lachvogel’ is het een oppasser, in ‘Teddy’ is het een jong genie en in ‘De Daumier-Smiths grijze periode’ is het een jongen met aanzienlijk schildertalent dat een hechte vriendschap met Pablo Picasso veinst. Ze hebben allemaal een bijzondere blik op het leven, kijken net even anders. Dat is met name in het laatste verhaal,  ‘Teddy’, waarin hij een man uitlegt dat een voorwerp niet ophoudt bij lengte, breedte, grootte, tijd en ruimte, maar continueert. Hij komt tot de slotsom dat sterven ieder ogenblik mogelijk is, maar dat dit geen ramp is. Hij beweert dat hij bijvoorbeeld in een leeg zwembad geduwd zou kunnen worden door zijn onschuldige zusje, wat ook daadwerkelijk lijkt te gebeuren:

Hij was net iets meer dan halverwege de trap toen hij een alles-doordringende, aangehouden gil hoorde – zonder twijfel afkomstig van een klein meisje. Het was een heel schel, weergalmend geluid, alsof het weerkaatst werd tussen vier betegelde wanden.

Is het toeval dat ik begin en eindig met de eerste en laatste regels van het boek? Ja, zegt meneer Mulisch, meneer Hermans, meneer Golding, meneer Dickens. Nee, zeggen meneer Salinger en meneer Gogol.

Salinger, J.D. Negen verhalen. Vert. [uit het Engels] Johan Hos. Amsterdam: De Bezige Bij 2008. 237 p.

Advertenties

Read Full Post »

“We are writing… We are writing… We are writing…” Het is een zin die tot het oneindige doorgaat en het thema – dit lemniscaat – van Everything is Illuminated samenvat. Er is veel postmoderne poëzie geschreven over het schrijven zelf, maar zelden verscheen er een boek dat uit dit aantrekkelijke, maar o zo zompige, moeras van introspectie wist te ontsnappen om en passant de gevolgen van de geschiedenis te bespreken.

Everything is Illuminated begint als een komisch reisverhaal. De Oekraïense jongeman Alex heeft de hoofdpersoon – ‘de auteur’ die Jonathan Safran Foer, ‘the Jew’ of soms simpelweg ‘the hero’ wordt genoemd – samen met zijn getroebleerde grootvader en ruftende hond Sammy Davis Junior, Junior, door zijn land rondgeleid op zoek naar een mysterieuze vrouw op een foto. Aan deze vermakelijke roadtrip wordt toegevoegd dat Alex de gebeurtenissen per brief opschrijft in zo’n abominabel Engels dat het pijnlijk grappig is. Met zijn typisch Oost-Europese opmerkingen zorgt Alex voor een cultuurschok, lachmomenten waarbij we tegelijkertijd om ons heen kijken of we niet betrapt worden. Een fragment:

I dig American movies. I dig Negroes, particulary Michael Jackson. I dig to disseminate very much currency at famous nightclubs in Odessa, Lamborghini Countaches are excellent, and so are cappuccinos. Many girls want to be carnal with me in many good arrangements, notwithstanding the Inebriated Kangaroo, the Gorky Tickle, and the Unyielding Zookeeper.

Naast de speurtocht van ‘the hero’ is er een tweede verhaallijn, waarin we lezen over de voorouders van de schrijver. Aanvankelijk is de wereld een onbeschreven blad, maar de gecreëerde personages, plaatsen en gebeurtenissen worden langzaamaan geschiedenis, traditie, legende: elke pennenhaal is permanent. In het eerste hoofdstuk wordt een verongelukte man beschreven, in het latere hoofdstuk kijkt een voorvader van Jonathan naar een toneelstuk over het voorval, van inmiddels mythische proporties.

Jonathan Safran Foer – schrijver-buiten-de-tekst en schrijver-binnen-de-tekst – speelt een ingenieus taalspel. De taal draait om de hete brij heen, stelt het moment van de waarheid continu uit. Onderwerp is namelijk de verschrikking van de Tweede Wereldoorlog in Oekraïne, waarmee we pas later kennismaken. We ontdekken dat het Joodse geboortedorp van Jonathans voorouders is weggevaagd en dat haar inwoners zijn vermoord. Het komische van het verhaal staakt, de taalfouten van Alex worden ongepast en Alex’ opa geeft in een emotionele explosie toe dat ook hij aan de ramp heeft meegewerkt. Het fragment lijkt op dat van Joyce, alleen wordt het niet opgezweept door geilheid, maar door verdriet en schuldgevoel:

It was not forever before he was the only Jew remaining outside of the synagogue the General was now in the second row and said to a man because he only asked men I do not know why who is a Jew and the man said they are all in the synagogue because he did not know Herschel or did not know that Herschel was a Jew the General shotthismaninthehead and I could feel Herschel’s hand touching mine very lightly and I made certain not to look at him the General went to the next person who is a Jew he asked an this person said they are all in the synagogue you must believe me I am not lying why would I lie you can kill them all I do not care but please spare me please do not kill me please and then the General shothiminthehead and said I am becoming tired of this and he went to the next man in line and that was me who is a Jew he asked and I felt Herschel’s hand again and I know that his hand was saying pleaseplease Eli please I do not want to die please do not point at me you know what is going to happen to me if you point at me do not point at me I am afraid of dying I am so afraid of dying I am soafraidofdying Iamsoafraidofdying […]

Een brok in je keel krijg je van zo’n passage. Het taalspel stort ineen.

Er zijn twee boeken waarmee je Everything is Illuminated kunt vergeleken. De eerste is Maus van de Joodse striptekenaar Art Spiegelman. Net als Spiegelman bedekt de auteur de ware kern van het verhaal: in Everything is Illuminated wordt dat gedaan door humor en taal, in Maus gebeurt dat door de Joden als muizen en de Duitsers als katten af te schilderen, waarmee de Endlösung gerelativeerd wordt. Een tweede boek is Slaughterhouse Five van Kurt Vonnegut, waarin het bombardement van Dresden wordt beschreven, verborgen achter de zieke psyche van de hoofdpersoon. De uitgebreide monoloog in Everything is Illuminated is in dat boek vervangen door een simpel “Pietoewiet”.

Nog een prachtige passage:

(You have ghosts?)
(Of course I have ghosts.)
(What are your ghosts like?)
(They are on the insides of the lids of my eyes.)
(This is also where my ghosts reside.)
(You have ghosts?)
(Of course I have ghosts.)
(But you are a child.)
(I am not a child.)
(But you have not known love.)
(These are my ghosts, the spaces amid love.)

Foer, Jonathan Safran. Everything is Illuminated. Londen: Penguin Books 2003. 276 p.


Read Full Post »