Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for november, 2010

De eerste Europese roman: niet Cervantes’ Don Quichot, maar tweeëntwintig velletjes van een dertiende-eeuws manuscript en wat losse snippers papyrus maken aanspraak op deze eretitel.

Het is een stellige uitspraak van uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep: we hebben hier te maken met dé oudste roman uit de westerse literatuur. De Romeinse auteur Chariton verslaat de beroemde romanheld die tegen windmolens vecht – van oudsher geafficheerd is als de eerste van zijn soort – niet met een neuslengte verschil, maar met een marge van ruim veertien eeuwen.  Toch moet de eeuwenoude vraag gesteld worden: is oud per se beter?

Chaireas en Kallirhoë heeft een plot dat wij vandaag de dag zouden omschrijven als flinterdun, maar dat gezien zijn lange voorgeschiedenis eerder bestempeld wordt als charmant. Het verhaal gaat over een intens verliefd echtpaar – een beeldschoon meisje en een niet onknappe  jongen – die door jaloezie van elkaar gescheiden worden. Na wat boosaardige roddelpraat over zijn vrouw keert Chaireas terug naar huis en verwondt Kallirhoë in een vlaag van woede. Het meisje krijgt door een bizarre speling van het lot geen adem meer en lijkt te zijn gestorven. Kallirhoë wordt begraven in een tombe, maar ’s nachts hapt ze opeens weer naar adem – als een goudvis die te lang op het droge heeft gelegen. Ze is levend begraven in haar graf, maar hier begint de ellende pas. Kallirhoë wordt achtereenvolgends meegenomen door grafrovers, wordt voor een schijntje verkocht als slavin, trouwt met haar meester, blijkt ongewenst zwanger te zijn geraakt van haar eerste man en komt in Perzië terecht. Zoals verwacht wordt van een trouwe Romeinse echtgenoot hobbelt Chaireas er met zijn boezemvriend Polycharmos achteraan, onderwijl eveneens allerlei avonturen belevend.

Het is een oeroude formule van verhalen vertellen, een plot voor soaps en doktersromannetjes, van computergames als The Legend of Zelda en Super Mario. Figuur x en figuur y raken vanaf pagina 3 van elkaar gescheiden ten gevolge van tegenstrever z en raken door gebeurtenissen 1 en 2 en 3 pas op pagina 138 weer bij elkaar. De semioticus Algirdas Greimas formuleerde eens het actantiële model, waarmee een dergelijk plot eenvoudig op papier kon worden gevat. Ik zal het eens voordoen met Chaireas en Kallirhoë, maar voor de grap ook even met mijn jeugdheld Zelda:

actantiële model

Toch is het verhaal ook weer niet zo simpel. We verwachten een held en een heldin in ons verhaal, die samen een queeste aangaan – de held als dappere jongen, de heldin als gevangengenomen en hulpeloze deerne – maar de rollen zijn, heel geëmancipeerd van Chariton, juist omgekeerd. De vrouw Kallirhoë is kil en berekend en weet zich toch een mooie positie te garanderen, de man Chaireas is passief en besluiteloos en wil tot twaalf keer toe zelfmoord plegen. Chaireas is een doetje een daarmee een antiheld, Kallirhoë een bitch en daarmee een antiheldin.

Het is prachtig om te bedenken hoe zo’n verhaal gefundeerd zou hebben in een klassieke samenleving. Het publiek kon zich gemakkelijk identificeren met de ‘helden’, die in zo’n diep gat waren gevallen dat ze dezelfde of een nog lagere status dan de toehoorder hadden bereikt. Ook mooi om te zien hoe de verteller nog in zijn kinderschoenen stond. Dat zie je bijvoorbeeld in de diverse korte samenvattingen:

Hoe Kallirhoë, de mooiste van alle vrouwen, trouwde met Chaireas, de knapste man, doordat Afrodite als koppelaarster optrad; hoe Chaireas zijn geliefde uit jaloezie een trap gaf en het leek alsof zij dood was; hoe zij na een kostbare begrafenis bijkwam in haar graf en grafrovers haar midden in de nacht uit Sicilië meenamen en naar Ionië voeren om haar daar aan Dionysios te verkopen […] – al deze dingen heb ik in het voorgaande uiteengezet. Hoe het verder ging zal ik nu vertellen.

Zoiets is toch charmant?

Chaireas en Kallirhoë is een leuk boekje, maar maakt de waardeoordelen die vastklitten aan ‘de oudste’ niet waar. Het is aardig – charmant zelfs – maar nergens echt een meesterwerk. Emilie van Opstall heeft weliswaar een mooie editie afgeleverd. Het is een degelijke vertaling, en we worden geholpen met een uitvoerige inleiding en notenapparaat. Alleen de titel vind ik vreemd: Chaireas en Kallirhoë. Had niet beter enkel de naam Kallirhoë gekozen moeten worden? Kallirhoë is de actieve actant, Chaireas is iemand die ik, heel modern, alleen kan betitelen als een pussy, een watje.

Chariton. Chaireas en Kallirhoë: Een liefde. Vert. [uit het Latijn] Emilie van Opstall. Amsterdam: Athenaeum – Polak & Van Gennep 1998. 159 p.

Read Full Post »

Maar doodslaan deed hij niet, want tusschen droom en daad
staan wetten in den weg en praktische bezwaren
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Die woorden van Elsschot lijken in eerste instantie de film Who’s Afraid of Virginia Woolf? van Mike Nichols samen te vatten. George en Martha – een echtpaar vertolkt door twee oude rotten uit het filmvak: Elizabeth Taylor en Richard Burton – staan op een constante voet van oorlog, met de bijpassende momenten van mortiervuur, maar ook van enkele, soms liefdevolle, scènes van respijt. George is een professor in geschiedenis aan een Amerikaanse universiteit. Hij is onsuccesvol en cynisch en doet er alles aan om een gesprekspartner te overbluffen met zijn snedige oneliners en woordgrappen. Martha daarentegen is de ongelukkige alcoholistische eega, die haar man herinnert aan zijn fouten en gebreken.

Hun huwelijk dobbert onvredig verder, totdat ze bezoek krijgen van een nieuwe mededocent en zijn vrouw. Nick en Honey lijken alles te zijn wat George en Martha niet zijn: ze zijn, om te beginnen, beleefd, ze lijken oprecht van elkaar te houden en ze zijn vreselijk naïef. Als toeschouwer voel je medelijden met hen wanneer ze terechtkomen bij het ‘godvergeten en vervaarlijke’ echtpaar. Ze staan midden in een storm van verbaal geweld, drank en unheimische verhalen over een afwezige zoon. Naarmate de likeur rijkelijk vloeit, vallen de schellen van de ogen van de kijker. We wisten al dat George – een schoft – met zijn vrouw trouwde vanwege de invloedrijke schoonpapa, de directeur van de universiteit. In een dronken bui wordt Nick loslippig en vertelt hij dat hij getrouwd is vanwege een schijnzwangerschap.

De pijnlijke en genante verhalen worden door het echtpaar steeds overtroefd en Nick en Honey doen gaandeweg lustig mee met het spel, totdat Martha een te grove daad verricht om haar man op te jutten: ze gaat met Nick naar bed. Voor George, toch gewend aan de grillen van zijn vrouw, is dat een stap te ver en hij besloot zijn laatste dreigmiddel in te zetten. Hij moedigt zijn vrouw aan te spreken over hun zoon – een gespreksonderwerp dat George de hele film lang heeft geprobeerd te verzwijgen. Dan vertelt hij Martha dat hij zojuist een ijlbericht heeft ontvangen, waarin stond dat hun zestienjarige zoon is verongelukt en gestorven. Hoe ongeloofwaardig die leugen ook lijkt, Martha stort in, en dan beseffen we het pas. Het is een groot doolhof van spellen, dat George en Martha voor elkaar opbouwen. Hun zoon is fictief, een creatie van hun eigen geest, een personage om in de beslotenheid van hun huwelijk mee te spelen. Daarmee blijkt het echtpaar toch niet zo kwaad – eerder meelijwekkend. De verhalen die daarvoor zijn verteld komen op losse schroeven te staan: wat is waarheid, wat is leugen en spel?

Er is veel over Who’s Afraid of Virginia Woolf? te zeggen. Het voornaamste is dat de film een adaptatie is van een gelijknamig toneelstuk van Edward Albee, dat in de jaren zestig braaf Amerika deed opschrikken vanwege het ‘grove’ taalgebruik. Terwijl tegenwoordig ophef wordt gemaakt om het doodknuppelen van hoertjes in videogames, was men in de zestiger jaren al geschockeerd om een ‘goddamn’. Dat het een toneelbewerking is, is duidelijk te zien. De kracht van de film – het moge duidelijk zijn – ligt in het constante spervuur van de dialogen. De scènewisselingen zijn dan ook tot een minimum teruggebracht. Door die terughoudendheid kan het verhaal breed uitgesponnen worden – immers, er is niets anders om toelichting te geven. Virginia Woolf deed me daarom bij vlagen denken aan de scherpe – maar minder kleurrijke – dialogen van 12 Angry Men.

Ik heb het nu al een aantal keren gezegd: de dialogen zijn meesterlijk. Zorgvuldig zorgen voor een climax in het verhaal, het moment dat George het dies irae reciteerd en Martha verrast met het ‘slechte nieuws’. Het is daarom de moeite waard om een paar kijfgesprekken te vermelden:

‘Oh, I don’t know, a little brandy maybe. “Never mix, never worry!”’
‘Martha? Rubbing alcohol for you?’
‘Sure! “Never mix, never worry!”’

Of:

‘Martha’s got money because Martha’s father’s second wife, not Martha’s mother but after Martha’s mother died, was a very old lady with warts who was very rich.’
‘She was a witch!’
‘She was a good witch, and she married the white mouse with the tiny red eyes and he must have nibbled her warts or something like that, because she went up in a puff of smoke almost immediately. Poof!’
‘Poof!’
‘Poof! And all that was left, aside from some wart medicine, was a big fat will.’
‘Your wife never mentioned a stepmother.’
‘Maybe it isn’t true.’

Uit beide fragmenten blijkt het fantasiespel van George en Martha al. Ze gaan elkaar met gemene woorden te lijf en verzinnen verhalen over elkaar, zonder dat de knoop gemakkelijk ontrafeld kan worden. Maar het echtpaar is zo slecht nog niet. Op sommige momenten blijkt dat Martha werkelijk van haar echtgenoot houdt en dat ze spijt heeft van haar maniakale gedrag:

I disgust me. You know, there’s only been one man in my whole life who’s ever made me happy. Do you know that?
George, my husband… George, who is out somewhere there in the dark, who is good to me – whom I revile, who can keep learning the games we play as quickly as I can change them. Who can make me happy and I do not wish to be happy. Yes, I do wish to be happy. George and Martha: Sad, sad, sad. Whom I will not forgive for having come to rest; for having seen me and having said: yes, this will do.

Wanneer je de film herkijkt, vallen dit soort liefkozingen je meteen op, terwijl je die in een eerste kijkbeurt totaal hebt gemist. Het is een aparte ervaring om het spel van George en Martha te ontrafelen. Ondanks het snelle verouderingsproces van de filmwereld – wie kent de acteurs bijvoorbeeld nog? – is dit een blijvertje. Al was het maar om de enigmatische titel, genoemd naar een kinderliedje, dat herhaald worden in de allerlaatste scène: “’Who’s Afraid of Virginia Woolf?’ ‘I am, George, I am.’ Elsschot blijkt geen gelijk gekregen te hebben.

Nichols, Mike. Who’s Afraid of Virginia Woolf? (1966). Met: Taylor, Elizabeth, Richard Burton, George Segal en Sandy Dennis.

Read Full Post »

Onlangs las ik ergens op het web een recensie van The Word Made Flesh: Literary Tattoos From Bookworms Worldwide, een nogal obscuur boekje dat – de titel geeft het al weg – de meest interessante literaire tatoeages op een rijtje zet. Een daarvan was simpelweg het getal 9. Dat klinkt enigmatisch, maar eigenlijk ging er simpelweg het boek Nine Stories van J.D. Salinger achter schuil, een reeks verhalen dat grote indruk – vergeef me de woordspeling – op de man had gemaakt. Tegelijkertijd besefte ik me dat ik onlangs hetzelfde werk op een stoffige rommelmarkt op de kop had getikt. (Later kwam ik er achter dat ik een euro meer had betaald dan de oorspronkelijke verkoopprijs: het prijsstickertje was zeer tactisch met een ander stickertje gemaskeerd.)

The Catcher in the Rye heb ik inmiddels al twee keer gelezen, één keer in het Nederlands – als naïeve neerlandicus – en eenmaal in het Engels, zoals dat bij dit boek hoort. De Penguineditie die ik met me meenam naar het strand van Kroatië is verfomfaaid en met korrels zand versierd, maar ook stukgelezen. Holden Caulfield heeft een enorme indruk op me achter gelaten: een cynische, uitzichtloze jongen die een wereld wil ontmaskeren, die niet ontmaskerd wil worden. De openingszin – een opening van een anti-Bildungsroman – pakt je en sleurt je de rest van het boek door:

If you really want to hear about it, the first thing you’ll probably want to know is where I was born, and what my lousy childhood was like, and how my parents were occupied and all before they had me, and all that David Copperfield kind of crap, but I don’t feel like going into it, if you want to know the truth. In the first place, that stuff bores me, and in the second place, my parents would have about two hemorrhages apiece if I told anything pretty personal about them. They’re quite touchy about anything like that, especially my father. They’re nice and all – I’m not saying that – but they’re also touchy as hell. Besides, I’m not going to tell you about my whole goddam autobiography or anything.

Maar we zouden het eigenlijk over Negen verhalen hebben. Het boek is opgebouwd in – hoe kan het ook anders – negen korte verhalen, met alle vindingrijke titels, die zeker het vermelden waard zijn: ‘Een perfecte dag voor bananenvis’, ‘Oom Donald in Connecticut’, ‘Vlak voor de oorlog met de eskimo’s’, ‘De lachvogel’, ‘Beneden bij de boot’, ‘Voor Esmé – veel liefs en morsigheid’, ‘Mooie mond en mijn ogen groen’, ‘De Daumier-Smiths grijze periode’ en ten slotte ‘Teddy’.

Het zijn alle negen ingenieuze verhalen, maar op een bepaalde manier ook simpel. Net als Catcher in the Rye schept Salinger geen eigen microkosmos, zoals sommige schrijvers beweren te doen, maar gebruikt de wereld van alledag, vol simplistische details, personages en setting, om tot een bijzonder eindresultaat te komen. Als voorbeeld noem ik het beste verhaal in het boek ‘Een perfecte dag voor bananenvis’. In dit korte verhaal zijn een soldaat en zijn vriendin op vakantie gegaan. Zij zit in haar hotelkamer haar nagels te lakken en met haar moeder over Seymour – haar vriend dus – te praten, hij ligt op het gras en vertelt een klein meisje een fantasieverhaal over de bananenvis. De bananenvis is een klein, doodgewoon visje dat, zodra het de kans krijgt, zich volpropt met bananen, waarna het visje niet meer uit zijn holletje kan komen. Na zijn verhaal loopt hij terug naar het hotel, treft zijn vriendin slapend aan, en schiet zichzelf in zijn rechterslaap. Just like that. Hier ligt de kracht van Salinger: hij voert ons allerlei alledaagse details, die niet van belang zijn voor het verhaal. Bijvoorbeeld:

Er zaten zevenennegentig reclamemensen uit New York in het hotel en omdat zij voortdurend beslag legden op de interlokale lijnen moest het meisje op kamer 507 van taal tot bijna halfdrie wachten tot haar gesprak doorkwam.

Of:

‘Hij wil zijn badjas niet uitdoen? Waarom niet?’
‘Weet ík het? Ik denk omdat hij zo wit ziet.’
‘Lieve hemel, dan heeft hij juist zon nodig. Kan je niet zorgen dat hij het toch doet?’
‘Je weet hoe Seymour is,’ zei het meisje en sloeg haar benen weer over elkaar. ‘Hij zegt dat hij niet wil dat een stelletje gekken naar zijn tatoeage lopen te kijken.’
‘Hij heeft helemaal geen tatoeage! Heeft hij dat in het leger laten doen?’

Bij Mulisch en Hermans kan er geen mus dood van het dak vallen zonder Bedoeling, bij Salinger kan de klusjesman van het dak vallen en zijn nek breken zonder dat het consequenties heeft voor de verhaallijn. Het verhaal nodigt uit tot interpretatie: waarom schiet de man zich neer? Heeft hij een trauma opgelopen in de oorlog? Ergert hij zich aan zijn vriendin en dier moeder die zich alleen maar druk maken om kleding? Ziet hij het meisje op het strand als ultiem teken van onschuld?  De details geven geen antwoord: er is correlatie, maar geen causaliteit. Toch is dat natuurlijk ook een sublieme truc van de auteur: als een kwaadaardig genius overdondert hij ons met oorzaak en gevolg, terwijl die er helemaal niet is. Vervolgens brengt hij, als slotsom van deze reeks normale handelingen, als een volleerd Russische schrijver een pistool op het toneel:

Hij keek even naar het meisje dat lag te slapen op een van de lits-jumeaux. Toen liep hij naar een van de koffers, opende hem, en pakte van onder een stapel hemden en onderbroeken een Ortgies 7.65 automatisch pistool. Hij haalde het magazijn eruit, bekeek het en schoof het toen weer op zijn plaats. Hij spande het wapen. Toen liep hij naar het lege bed, ging erop zitten, keek naar het meisje, richtte het pistool en schoot een kogel door zijn rechterslaap.

Geen verklaring. Meesterlijk.

In elk verhaal staat de hoofdpersoon los van het verhaal. Hier was dat de ex-militair, in ‘De lachvogel’ is het een oppasser, in ‘Teddy’ is het een jong genie en in ‘De Daumier-Smiths grijze periode’ is het een jongen met aanzienlijk schildertalent dat een hechte vriendschap met Pablo Picasso veinst. Ze hebben allemaal een bijzondere blik op het leven, kijken net even anders. Dat is met name in het laatste verhaal,  ‘Teddy’, waarin hij een man uitlegt dat een voorwerp niet ophoudt bij lengte, breedte, grootte, tijd en ruimte, maar continueert. Hij komt tot de slotsom dat sterven ieder ogenblik mogelijk is, maar dat dit geen ramp is. Hij beweert dat hij bijvoorbeeld in een leeg zwembad geduwd zou kunnen worden door zijn onschuldige zusje, wat ook daadwerkelijk lijkt te gebeuren:

Hij was net iets meer dan halverwege de trap toen hij een alles-doordringende, aangehouden gil hoorde – zonder twijfel afkomstig van een klein meisje. Het was een heel schel, weergalmend geluid, alsof het weerkaatst werd tussen vier betegelde wanden.

Is het toeval dat ik begin en eindig met de eerste en laatste regels van het boek? Ja, zegt meneer Mulisch, meneer Hermans, meneer Golding, meneer Dickens. Nee, zeggen meneer Salinger en meneer Gogol.

Salinger, J.D. Negen verhalen. Vert. [uit het Engels] Johan Hos. Amsterdam: De Bezige Bij 2008. 237 p.

Read Full Post »

“We are writing… We are writing… We are writing…” Het is een zin die tot het oneindige doorgaat en het thema – dit lemniscaat – van Everything is Illuminated samenvat. Er is veel postmoderne poëzie geschreven over het schrijven zelf, maar zelden verscheen er een boek dat uit dit aantrekkelijke, maar o zo zompige, moeras van introspectie wist te ontsnappen om en passant de gevolgen van de geschiedenis te bespreken.

Everything is Illuminated begint als een komisch reisverhaal. De Oekraïense jongeman Alex heeft de hoofdpersoon – ‘de auteur’ die Jonathan Safran Foer, ‘the Jew’ of soms simpelweg ‘the hero’ wordt genoemd – samen met zijn getroebleerde grootvader en ruftende hond Sammy Davis Junior, Junior, door zijn land rondgeleid op zoek naar een mysterieuze vrouw op een foto. Aan deze vermakelijke roadtrip wordt toegevoegd dat Alex de gebeurtenissen per brief opschrijft in zo’n abominabel Engels dat het pijnlijk grappig is. Met zijn typisch Oost-Europese opmerkingen zorgt Alex voor een cultuurschok, lachmomenten waarbij we tegelijkertijd om ons heen kijken of we niet betrapt worden. Een fragment:

I dig American movies. I dig Negroes, particulary Michael Jackson. I dig to disseminate very much currency at famous nightclubs in Odessa, Lamborghini Countaches are excellent, and so are cappuccinos. Many girls want to be carnal with me in many good arrangements, notwithstanding the Inebriated Kangaroo, the Gorky Tickle, and the Unyielding Zookeeper.

Naast de speurtocht van ‘the hero’ is er een tweede verhaallijn, waarin we lezen over de voorouders van de schrijver. Aanvankelijk is de wereld een onbeschreven blad, maar de gecreëerde personages, plaatsen en gebeurtenissen worden langzaamaan geschiedenis, traditie, legende: elke pennenhaal is permanent. In het eerste hoofdstuk wordt een verongelukte man beschreven, in het latere hoofdstuk kijkt een voorvader van Jonathan naar een toneelstuk over het voorval, van inmiddels mythische proporties.

Jonathan Safran Foer – schrijver-buiten-de-tekst en schrijver-binnen-de-tekst – speelt een ingenieus taalspel. De taal draait om de hete brij heen, stelt het moment van de waarheid continu uit. Onderwerp is namelijk de verschrikking van de Tweede Wereldoorlog in Oekraïne, waarmee we pas later kennismaken. We ontdekken dat het Joodse geboortedorp van Jonathans voorouders is weggevaagd en dat haar inwoners zijn vermoord. Het komische van het verhaal staakt, de taalfouten van Alex worden ongepast en Alex’ opa geeft in een emotionele explosie toe dat ook hij aan de ramp heeft meegewerkt. Het fragment lijkt op dat van Joyce, alleen wordt het niet opgezweept door geilheid, maar door verdriet en schuldgevoel:

It was not forever before he was the only Jew remaining outside of the synagogue the General was now in the second row and said to a man because he only asked men I do not know why who is a Jew and the man said they are all in the synagogue because he did not know Herschel or did not know that Herschel was a Jew the General shotthismaninthehead and I could feel Herschel’s hand touching mine very lightly and I made certain not to look at him the General went to the next person who is a Jew he asked an this person said they are all in the synagogue you must believe me I am not lying why would I lie you can kill them all I do not care but please spare me please do not kill me please and then the General shothiminthehead and said I am becoming tired of this and he went to the next man in line and that was me who is a Jew he asked and I felt Herschel’s hand again and I know that his hand was saying pleaseplease Eli please I do not want to die please do not point at me you know what is going to happen to me if you point at me do not point at me I am afraid of dying I am so afraid of dying I am soafraidofdying Iamsoafraidofdying […]

Een brok in je keel krijg je van zo’n passage. Het taalspel stort ineen.

Er zijn twee boeken waarmee je Everything is Illuminated kunt vergeleken. De eerste is Maus van de Joodse striptekenaar Art Spiegelman. Net als Spiegelman bedekt de auteur de ware kern van het verhaal: in Everything is Illuminated wordt dat gedaan door humor en taal, in Maus gebeurt dat door de Joden als muizen en de Duitsers als katten af te schilderen, waarmee de Endlösung gerelativeerd wordt. Een tweede boek is Slaughterhouse Five van Kurt Vonnegut, waarin het bombardement van Dresden wordt beschreven, verborgen achter de zieke psyche van de hoofdpersoon. De uitgebreide monoloog in Everything is Illuminated is in dat boek vervangen door een simpel “Pietoewiet”.

Nog een prachtige passage:

(You have ghosts?)
(Of course I have ghosts.)
(What are your ghosts like?)
(They are on the insides of the lids of my eyes.)
(This is also where my ghosts reside.)
(You have ghosts?)
(Of course I have ghosts.)
(But you are a child.)
(I am not a child.)
(But you have not known love.)
(These are my ghosts, the spaces amid love.)

Foer, Jonathan Safran. Everything is Illuminated. Londen: Penguin Books 2003. 276 p.


Read Full Post »